Nieuwe opsporingstechnieken en overheidsdatabases ondermijnen de privacy van burgers steeds meer. De noodzakelijke discussie komt moeizaam: academische debatten, politieke stukken en opinieonderzoeken. Netkwesties maakt de balans op. De gevolgen van technologie op de persoonlijke levenssfeer zijn zo groot dat het hele begrip 'privacy' wankelt. Veel maatregelen die vijftien jaar geleden nog op veel maatschappelijk verzet stuitten zijn nu de normaalste zaak van de wereld: onbeperkt cameratoezicht, aftappen, het op grote schaal verzamelen en opslaan van gegevens over communicatiegedrag van alle Nederlanders, uitgebreide bevoegdheden tot het vorderen van informatie bij bedrijven en instanties, de identificatieplicht, koppeling van overheidsbestanden, het biometrisch paspoort met centrale databank en het doorgeven van alle financiële en reisgegevens aan geheime diensten. Het kwam de afgelopen jaren tot stand zonder wezenlijk maatschappelijk debat laat staan verzet. Actueel zijn: het toevoegen van de gegevens van internetters aan het CIOT (centraal informatiepunt opsporing telecom), databanken met reis-, vlucht- en financiële gegevens, de ov-chipkaart, het elektronisch patiëntendossier, het elektronisch kinddossier, het burgerservicenummer. En de volgende generatie privacybeperkende maatregelen maakt al zijn opwachting: 'slimme' camera's, overal rfid-chips, nog meer bevoegdheden voor de AIVD en de opkomst van softwareagenten die autonoom en zelflerend in grote hoeveelheden data nieuwe verbanden en patronen ontdekken. In het boek 'Van privacyparadijs tot controlestaat?' geven rechtswetenschappers Anton Vedder, Bert Jaap Koops, Paul de Hert en Leo van der Wees, in opdracht van het Rathenau Instituut, een overzicht van alle veranderingen op privacygebied in Nederland. Was ons land van 1960 tot 1985 een 'privacyparadijs', sinds computersystemen en internet is dat totaal omgedraaid. Vooral de technologie veroorzaakte zes trends die privacy uithollen: 1) onderzoek wordt steeds vaker uitgebreid naar onverdachte personen, 2) risicoprofielen van potentieel verdachte groepen; 3) wettelijke beperkingen voor bepaalde opsporingsmethodes verdwijnen; 4) opsporingsdiensten krijgen steeds meer mogelijkheden 5) opsporingsdiensten krijgen steeds meer persoonsgegevens afkomstig van andere overheidsdiensten; 6) opsporingsdiensten dwingen steeds vaker andere partijen tot medewerking. De optelsom van deze trends moet worden gemaakt, want volgens de auteurs versterken ze elkaar. "In combinatie met de gevolgen van andere maatregelen kunnen ze een te grote inbreuk betekenen." Maar onderzoek naar de effectiviteit van de maatregelen bleef tot nu toe achterwege. Ook hekelen Vedder, Koops, c.s. het gebrek aan transparantie bij het tot stand komen van nieuwe wet- en regelgeving, met name die vanuit Brussel. Burgers worden van deelname aan de discussie uitgesloten, terwijl het over hun rechten gaat.