In het verkiezingsjaar 2002 kwalificeerde Pim Fortuyn de islamitische cultuur als achterlijk, negen later later maakte het PVV-Kamerlid De Roon de Turkse premier Erdogan uit voor een islamitische aap.
Tussen die twee momenten heeft zich in Turkije een economisch en politiek wonder voltrokken dat gelijkenis vertoont met de opkomst van Duitsland in de naoorlogse periode. Dat wonder is zichtbaar in de skyline van Istanbul, waar naast de minaretten van de Blauwe Moskee en de Hagia Sofia vele wolkenkrabbers zijn verrezen die de stad het aanzien geven van een hypermoderne metropool.

Het beeld onderstreept de bijzondere ligging van Istanbul, tussen Oost en West, tussen de islamitische wereld en het christelijke Avondland. Deze ligging heeft politiek aan betekenis gewonnen sinds begin deze eeuw de dreiging is opgekomen van een hernieuwde strijd tussen beide beschavingen.

Terwijl Turkije zich in hoog tempo ontwikkelde tot een economische en politieke macht in de regio, groeide in veel Europese landen de islamofobie. In Nederland hebben achtereenvolgens Bolkestein, Fortuyn en Wilders aan die angst een politieke stem gegeven en tegelijk nationalistische sentimenten aangeboord, die de Europese integratie parten spelen en minderheidsgroepen, vooral de moslims, in het nauw drijven.

Met de vraag hoe de Turken kijken naar een Europa dat de neiging vertoont zich te verschansen, reisde ik na de algemene politieke beschouwingen naar Istanbul. Het debat in Den Haag bevestigde andermaal hoe naar binnen gericht Nederland is geworden en hoezeer de natie, op politiek niveau, met zichzelf bezig is.

Goed artikel, verder lezen!