Zijn vrouw bevalt een dezer dagen in een Israëlisch ziekenhuis van een zoon, maar Wassim weet nu al dat hij er niet bij zal zijn. Als inwoner van de Westoever mag hij de afscheidingsbarrière die Palestijns gebied van Israël scheidt niet passeren. Dat Wassims vrouw een Israëlisch paspoort heeft, biedt geen soelaas. Sinds 2003 bestaat er namelijk een wet die voorschrijft dat Israëliërs hun echtgenoot of echtgenote niet mogen laten overkomen als die uit Palestijns gebied afkomstig is.
Mensenrechtenorganisaties bestempelden de wet - die tijdens de Tweede Intifada ingesteld werd als veiligheidsmaatregel - als racistisch en stelden petities op. Andere buitenlanders worden in principe na vijf jaar genaturaliseerd tot Israëliër, alleen voor Palestijnen geldt dat niet. Het Hooggerechtshof boog zich over deze petities en bleek, net als de rest van de Israëliërs, sterk verdeeld. Vorige week kwam de uitspraak: de wet is rechtsgeldig, oordeelden zes van de elf rechters.

De president van het Hooggerechtshof, Dorit Benisch, die tot de minderheid behoort, schreef dat de wet zou moeten worden afgeschaft 'omdat die het recht van gelijkheid schendt'. Volgens de kleinst mogelijke meerderheid is er echter 'geen enkel voorbeeld van een Hooggerechtshof dat de toegang van duizenden vijanden binnen de landsgrenzen toestaat'.

artikel verder lezen