De Amerikaanse president Barack Obama is nog nooit zo weinig populair geweest als nu. Zijn approval ratings schommelen rond de veertig procent. Wat is er aan de hand?

Objectief gezien niets. Obama is nu anderhalf jaar president en in die tijd heeft hij legislatief gezien wonderen verricht. Hij is begonnen met omvangrijke stimuleringsmaatregelen om de economie er bovenop te helpen, vervolgens heeft hij een ingrijpende hervorming van het gezondheidsstelsel door het Congres geloodst en nu net heeft hij de financiële industrie een streng controle- en reguleringsregime opgelegd. Maar het wonderbaarlijke is: het heeft allemaal geen enkele invloed op zijn populariteit.

De meest voor de hand liggende oorzaak is, dat de economie nog steeds stagneert. Er is weliswaar sprake van lichte groei, maar die vertaalt zich vooralsnog niet in dalende werkloosheidscijfers. Daarnaast is er sprake van een ontstellend gebrek aan rationaliteit bij de kiezers.

Dat geldt in de eerste plaats voor de voormalige hysterische Obama-vereerders. In de toeschouwersdemocratie stellen kiezers al hun vertrouwen op de oppositie, die wel eens even de wereld ingrijpend zal veranderen. Als dat vervolgens niet verdomd snel gebeurt, is de gekozene de lul. Op kleinere schaal zie je dat ook bij Mark Rutte. Vlak na de verkiezingen was hij de grote held en nu al, terwijl hij nog bezig is een coalitie te onderzoeken, wordt hij beschuldigd van kiezersbedrog en zakt hij in de peilingen. Kiezers gedragen zich als kleine kinderen die beginnen te blèren als het snoepje tegenvalt.