WikiLeaks markeert een dramatische omwenteling in de verhouding tussen staat en burger. De stille consensus dat een goed werkend overheidsapparaat gebaat is bij de geheimhouding van strategische, soms ondemocratische beslissingen, is doorbroken en wordt niet meer hersteld.

De grote vraag is geen morele, maar een politieke. Westerse regeringen kunnen kiezen voor repressie in antwoord op onuitroeibare burgerlijke ongehoorzaamheid. Ze kunnen internet verder beknellen, ze kunnen door het verspreiden van desinformatie hun valstrik van leugens vergroten, maar uiteindelijk verliezen zij altijd van die net iets slimmere hacker. Bovendien verliezen zij, terwijl ze proberen hun belangen en macht veilig te stellen, geleidelijk hun democratische geloofwaardigheid.

De oorlog in Irak is ons destijds verkocht als een gerechtvaardige zoektocht naar openbaarheid van informatie over massavernietigingswapens. Dat bleek een grove leugen. Democratische politici staan nu voor de keuze of zij de vijand willen worden van burgers die hen willen kunnen controleren, en die zij ook alle aanleiding hebben gegeven om achterdochtig te zijn.

Zij kunnen ook samen met burgers democratische openbaarheid opnieuw vormgeven. Dat betekent dat zij zich in parlementaire enquêtes altijd en zonder terughoudendheid verantwoorden over hun oorlogsbeslissingen, dat ambtenaren door het parlement openbaar gehoord kunnen worden en dat het stempel 'zeer geheime overheidsinformatie' terughoudend wordt gebruikt en daarbij onder permanente, onafhankelijke controle staat.

Deze tweede keuze is de koninklijke weg. Uit democratisch zelfbehoud is het ook de enige route die we kunnen nemen.