Fundamentalistische gelovigen wijzen de evolutieleer af, meestal omdat die niet past in de scheppingsmythe van hun godsdienst. Maar biologie en biochemie zijn niet goed te begrijpen zonder evolutieleer en dat maakt die leer tot een toetssteen voor de gelovige wetenschapper: hij moet kiezen. De meesten van hen kiezen voor de wetenschap, maar op de manier van Descartes: ze houden wetenschap en geloof voor twee gescheiden categorieën, voor waarheden die elkaar niet beïnvloeden en zij vermijden een discussie.

Dat kan maar tot op zekere hoogte want er zit voor de gelovige bioloog nog een probleem aan het bestaan van de evolutieleer: die brengt mee dat er ook voor zijn geloof een evolutionaire verklaring moet bestaan.

Religie komt in praktisch alle menselijke samenlevingen voor, al varieert de inhoud sterk. Religies hebben een belangrijke sociologische functie. Mensen hechten sterker aan hun geloof naarmate hun samenleving grotere problemen ondervindt. De inhoud van de religie schijnt daarbij irrelevant te zijn, maar de intensiteit is belangrijk. Hoe meer van de gelovigen wordt gevraagd en hoe meer zij bereid zijn voor hun geloof te geven, hoe sterker de heilzame werking op de samenhang van de gemeenschap. [...]